| Ik concentreer me, strek mijn rug, laat mijn schouders ontspannen hangen en richt mijn blik – de ogen half geloken – naar de grond. Met mijn handen vorm ik de mudra. Een soort mandje. Mijn gezicht ontspant en mijn lippen vormen een vage glimlach. Zit ik als een berg? Ja. Nu breng ik mijn aandacht naar mijn buik en langzaam begin ik op elke uitademing te tellen. ‘Eén…, twee…, drie…’ Zen en Boeddhisme hebben al een tijdje mijn belangstelling. Het concentreren op het hier en nu, deel uitmaken van de boeddhanatuur, mededogen, reďncarnatie en karma - een ander woord voor ‘oorzaak en gevolg’ - spreken me aan. Ook mediteer ik twee keer per dag. Dat wil zeggen, ik streef ernaar, maar het lukt niet altijd. | Bij zazen, we noemen het ook wel ‘zitten’, tel je op elke uitademing en als je bij tien aangekomen bent of merkt dat je gedachten zijn afgedwaald, begin je overnieuw. Zo breng je je geest, de aap in je hoofd, tot rust. Inmiddels heb ik de hoop opgegeven dat ik ooit tot tien zal tellen.. In mějn hoofd heeft zich namelijk niet één aap, maar de hele Apenheul gevestigd. ‘…vier…, vijf...’ Een zoemend geluid dringt tot me door en het lijkt of er voortdurend iets tegen het raam vliegt. ‘Wat zou het zijn?’ Manhaftig probeer ik het verschijnsel te negeren en ik keer terug naar mijn ademhaling. ‘Eén…’ Er begint een aap te dansen en ik voel me niet prettig. ‘Het is vast een bij! Als hij me maar niet steekt.’ Ik ben als de dood voor bijen. |
De andere apen dansen nu ook wild mee en in mijn hoofd wordt een hevige discussie gevoerd. ‘Moet ik roerloos blijven zitten of zal ik hem…? Als ik niet beweeg blijft hij misschien bij me uit de buurt, hoewel… het raam is toch wel dichtbij.’ Ik huiver. ‘Wat moet ik doen als hij op mijn neus gaat zitten en me steekt? Moet ik dat lijdzaam ondergaan om vervolgens uit mededogen actieve euthanasie te plegen? Een bij lijdt immers vreselijk als hij een mens gestoken heeft. En wat doe ik als het een wesp is? Wespen vind ik nog angstaanjagender. Als die iemand gestoken hebben leven ze vrolijk verder. Op naar het volgende slachtoffer.’ Een paniekgevoel begint zich van mij meester te maken. ‘Rustig blijven! Eén… zal ik toch maar even kijken wat het is? Nee! Eén…, twee…, doe ik daar wel goed aan?’ Mijn mededogen komt in conflict met de regels van zazen: 'Laat je niet afleiden en zit stil zonder je te verroeren.' ‘Maar hier is een ander deel van de boeddhanatuur in nood. Moet ik dat niet redden?’Vijfentwintig minuten zijn lang als je in tweestrijd verkeert en uiterlijk onverstoorbaar begin ik opnieuw te tellen: ‘Eén…, twee…, drie… ’ Uiteindelijk lukt het me de apen in mijn hoofd te kalmeren, ondanks het nijdige gezoem op de achtergrond. De kookwekker op de overloop achter de deur kondigt het einde van mijn meditatie aan. Met een sereen gevoel kijk ik even naar de muur tegenover me, buig en sta langzaam op om een hinderlijk zoemend deel van het universum te redden. Ik loop naar het venster, schuif een paar lamellen opzij en… dan zie ik dat hier geen sprake is van een bij of wesp. Het is een grote bromvlieg die mijn meditatie verstoorde. Ik hou niet van vliegen en al helemaal niet van bromvliegen. En dit is geen gewone bromvlieg, maar een heel dik, vet exemplaar. Een strontvlieg, zou mijn moeder zeggen. Bovendien is hij zo groot dat hij zonder meer recht heeft op de titel ‘moeder van alle strontvliegen’. | Hier houdt mijn mededogen op. Mijn blik waart rond. Waar vind ik een krant! Plotseling vraagt mijn innerlijke stem waarom ik deze bromvlieg wčl zou doodslaan. Ik kan hem toch net zo goed vangen en vrij laten. Die vlieg heeft zichzelf toch niet gemaakt. Of wel soms? Ook een vlieg is een levend wezen. Wordt het geen tijd om wat vooroordelen los te laten? Vanaf veilige afstand bekijk ik het brommende geval nog eens goed. Ik zie dat zijn ronde lijf een groene glans heeft en zijn vleugels lijken bijna te fonkelen in het licht. ´Eigenlijk is deze vlieg heel bijzonder. Was het karma dat hij als vlieg ter wereld is gekomen en in mijn kamer belandde? Wat is het doel van zijn leven? Voedsel zijn voor een vogel? Of zorgen voor triljarden nazaten? Ik moet er niet aan denken! Maar afgezien daarvan, wat geeft mij het recht om een levend wezen om te brengen?’ Stilaan krijgt mededogen de overhand. Op de plank naast het raam staat een potje met penselen. Ik haal ze eruit, schuif de lamellen voor het raam opzij en langzaam beweeg ik het potje richting bromvlieg. Weg is ie! Naar de volgende ruit. Nog langzamer breng ik het potje zijn kant uit. Vlakbij gekomen duw ik snel door en… dan voel ik hoe de rand van het potje verend het glas raakt. Verend!? Lieve hemel! De arme vlieg zal toch niet…? Vol schuldgevoel en zonder te kijken, want ik wil het niet weten, schuif ik het transparante plastic mapje dat op mijn bureaublad ligt tussen glas en potje, inwendig hopend dat de vlieg niet meer lijdt. Buiten het geopende raam haal ik het mapje weg. Nimmer zal ik weten of hij omhoog vloog of naar beneden viel. ‘Alles is vergankelijk’, schiet het door me heen. Ik hoop dat ik me niet te veel karma op de hals heb gehaald…, mijn intentie was goed! |